|
|
|
Koninklijk
besluit van 09 mei 2001 betreffende het gebruik van vloeibaar gemaakte petroleumgassen
(L.P.G.) voor het aandrijven van auto's.
(B.S. 06.06.2001)
I N H O U D
- criteria waaraan LPG-installaties + onderdelen moeten beantwoorden
- erkende instellingen voor de homologatie van LPG-installaties + onderdelen
- erkenning van installateurs en monteurs
- controle van de geschiktheid tot erkenning van installateurs
- montage van de LPG-installatie en periodieke controles
- wederbeproeving van de installatie
- slotbepalingen
- bijlagen
Artikel 1
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° "auto" : elk motorvoertuig waarvan de eigen massa hoger
is dan 400 kg met uitzondering van de bromfietsen en de motorfietsen zoals
die omschreven zijn in artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 oktober
1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen,
de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen, en in artikel 2,
§ 1 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968;
2° « L.P.G. » : vloeibaar gemaakte petroleumgassen, in
hoofdzaak samengesteld uit propaan en butaan, bestemd voor de aandrijving
van auto's;
3° « L.P.G. B installateur » : de natuurlijke persoon
of rechtspersoon, ingeschreven in het handelsregister als garagehouder-hersteller
of als autoconstructeur, en onder wiens verantwoordelijkheid L.P.G. B
installaties worden ingebouwd;
4° « L.P.G. B monteur » : de natuurlijke persoon die gekwalificeerd
is voor het uitvoeren van de inbouwwerkzaamheden, en die voldoet aan de
minimumvoorwaarden bepaald in art. 4 van dit besluit en als bewijs van
zijn minimale technische kennis met succes aan het examen heeft deelgenomen;
5° « L.P.G. installatie » : het geheel van de aan boord
van een auto gemonteerde uitrusting, die het mogelijk maakt om L.P.G.
voor zijn aandrijving te gebruiken;
6° « reservoir » : de houder, bestemd om aan boord van
een auto de voorraad L.P.G. te bevatten, bestemd voor zijn aandrijving;
7° « Reglement 67 » : eenvormige voorschriften betreffende
de goedkeuring van de speciale uitrusting van auto's die vloeibaar gemaakte
petroleumgassen gebruiken voor hun aandrijfsysteem.
8° « initiële proef » : eerste drukproef vóór
het op de markt brengen.
Criteria waaraan de L.P.G.-installaties en hun onderdelen moeten beantwoorden
Artikel 2
§ 1. Het Reglement 67 is van toepassing voor wat betreft het reservoir
en de onderdelen van de installatie, onder voorbehoud van voorschriften
die gelijkwaardige of voldoeninggevende waarborgen bieden ten aanzien
van de veiligheidsdoelstellingen van het Reglement 67, die getroffen zouden
worden op voorstel van de Minister die het vervoer in zijn bevoegdheden
heeft. Zowel de reservoirs van klasse A als deze van klasse B worden voorzien
van een overdrukklep.
Alle materieel beschikkend over de homologatie en over het merkteken CE,
en elk montage uitgevoerd in overeenstemming met normen aanvaard in een
andere Staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte en opgesteld
in het kader van een systeem dat evenwaardige garanties biedt op het vlak
van doeltreffenheid en waarbij de voorschriften een evenwaardig veiligheidsniveau
waarborgen, wordt geacht eveneens te voldoen aan de bepalingen van dit
besluit.
§ 2 De prototypes van reservoirs en van onderdelen van de L.P.G.-installatie
worden onderworpen aan een homologatieproef.
Indien de door het Reglement 67 voorgeschreven procedures worden uitgevoerd
in Belgïe, worden de homologaties van de onderdelen verleend door
de Directeur generaal van het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur
of door zijn gemachtigde op basis van een verslag uitgegeven door een
hiervoor erkende instelling.
De aanvraag tot homologatie van een prototype van een uitrusting wordt
door de fabrikant of zijn behoorlijk gemachtigde vertegenwoordiger bij
een erkende instelling ingediend op de in het Reglement 67 voorgeschreven
wijze.
De aan de homologatie van een prototype verbonden kosten zijn ten laste
van de aanvrager.
De erkende instelling geeft het in alinea 2 vernoemd verslag af indien
zij vaststelt dat de onderdelen beantwoorden aan de voorschriften van
het reglement 67.
Indien een erkende instelling, na een aanvraag tot homologatie van een
prototype, niet kan overgaan tot de afgifte van het in alinea 2 vernoemd
rapport, brengt zij het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur hiervan
op de hoogte.
Het homologatiemerk dat overeenkomstig het Reglement 67 wordt aangebracht
op alle reservoirs en onderdelen gehomologeerd in België, is als
volgt samengesteld (zie bijlage A) :
• een cirkel met daarin de vermelding « E6 »
• rechts van deze cirkel, de vermelding « 67R- » gevolgd
door een homologatienummer bestaande uit 6 cijfers, toegekend door het
Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur.
Indien de prototypes van uitrustingen de procedure voorgeschreven door
het Reglement 67 in een ander land dan Belgïe hebben ondergaan, wordt
het cijfer « 6 » vervangen door het cijfer dat werd toegekend
aan dit land in het kader van de Overeenkomst betreffende het aannemen
van eenvormige homologatievoorwaarden en de wederzijdse erkenning van
homologatie van uitrustingen en onderdelen van auto's, ondertekend op
20 maart 1958 te Genève.
Deze uitrustingen moeten op dezelfde wijze worden aanvaard als deze gehomologeerd
in Belgïe.
Elke wijziging aan een uitrusting wordt meegedeeld aan de erkende instelling
die de aanvraag tot homologatie van het prototype heeft behandeld. Deze
instelling onderzoekt of deze wijziging ingrijpende gevolgen heeft. Indien
bevestigend wordt geantwoord, dan moet voor deze gewijzigde uitrusting
een nieuwe prototypehomologatie plaatsvinden.
Indien de productie van een gehomologeerde uitrusting definitief wordt
stopgezet, moet de fabrikant of de verdeler van deze uitrusting het Bestuur
van Wegverkeer en Infrastructuur daarvan op de hoogte brengen.
De fabrikant vergewist zich ervan, op de in het Reglement 67 voorgeschreven
wijze, of elke gefabriceerde uitrusting overeenstemt met het gehomologeerd
prototype en voldoet aan de voorschriften van dit besluit.
De erkende instelling die het verslag m.b.t. het prototype bij het Bestuur
van Wegverkeer en Infrastructuur heeft ingediend, ziet B via een steekproefgewijs
uitgevoerde productiecontrole, met de voor homologatie van het prototype
voorziene metingen en proefnemingen- na dat de in serie vervaardigde uitrustingen
conform zijn aan het prototype. Ze kan bovendien op ieder ogenblik nakijken
of de door de fabrikant aangewende controlemethodes en B-apparatuur voldoen
om het in dit besluit gesteld objectief te bereiken en ziet eveneens de
controleresultaten na.
Indien het in het vorige alinea vernoemd nazicht negatieve resultaten
oplevert, brengt de erkende instelling het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur
hiervan op de hoogte; die kan de homologatie van het prototype van de
desbetreffende uitrusting intrekken.
De homologatie van een prototype wordt ingetrokken wanneer :
1° de uitrusting conform aan een gehomologeerd model, een gebrek van
algemene aard vertoont waardoor deze ongeschikt wordt voor het gebruik
waarvoor deze bestemd is, of wanneer wordt vastgesteld dat de homologatie
van een prototype onrechte werd verleend;
2° de voorschriften voorzien in § 1 zodanig gewijzigd werden,
dat deze gewijzigde voorwaarden, het prototype niet meer voor homologatie
in aanmerking zou komen.
3° de uitrusting niet meer conform is aan het gehomologeerde prototype;µ
4° de bijzondere voorschriften opgelegd door het homologatiegetuigschrift
van het prototype niet gerespecteerd worden.
Erkende instellingen voor de homologatie van de L.P.G.-installaties en
hun onderdelen
Artikel 3
De Minister die het vervoer onder zijn bevoegdheden heeft of zijn gemachtigde
erkent de instellingen die bevoegd zijn om de proeven, testen, en controles
uit te voeren op de L.P.G.-installaties waarvoor een homologatieprocedure
in Belgïe werd aangevraagd.
De vergoedingen voor de proeven en controles uitgevoerd door de in alinea
1 vernoemde instellingen zijn ten laste van de aanvrager.
Erkenning van de installateurs en monteurs
Artikel 4
§ 1. De natuurlijke personen of rechtspersonen onder wiens gezag
en verantwoordelijkheid L.P.G. -installaties in auto's worden gemonteerd
of gewijzigd, worden erken als L.P.G. Binstallateur door de Minister die
het vervoer onder zijn bevoegdheden heeft of door zijn gemachtigde, onder
de voorwaarden bepaald in bijlage B.
Voor de montage doet de installateur een beroep op één of
meerdere monteurs erkend onder de voorwaarden bepaald in bijlage B. De
installateur als natuurlijk persoon, kan zelf als monteur erkend worden.
De erkenning als installateur is onderworpen aan een retributie waarvan
het bedrag bepaald is op honderd vijfentwintig euro.
Controle van de geschiktheid tot erkenning van installateurs
Artikel 5
De Minister die het vervoer onder zijn bevoegdheid heeft of zijn afgevaardigde
erkent en machtigt de instellingen die bevoegd zijn om de controles met
het oog op de erkenning van L.P.G. installateurs uit te voeren, zoals
voorzien in artikel 6 van dit besluit, voor zover zij het bewijs leveren
dat ze geaccrediteerd zijn volgens de vereisten van NBN EN 45.004 voor
instellingen van het type A voor de voorwerpen en toestellen onder druk.
Zij moeten bovendien gevestigd zijn in een lidstaat van de Europese Economische
Ruimte.
Artikel 6
De Minister stelt een lijst op van de erkende instellingen en deelt deze
mede aan deze instellingen.
De overeenkomstig artikel 5 gemachtigde controle-instellingen zullen :
1° aan de Directie Voertuigen van het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur
een eerste evaluatierapport overmaken betreffende de overeenstemming van
de installateur met de voorschriften van dit besluit;
2° ten minste éénmaal per jaar een controle uitvoeren
bij de erkende installateurs, om na te gaan of zij voldoen aan de voorwaarden
van dit besluit,waarbij een verslag wordt opgemaakt volgens de bepalingen
vermeld in artikel 7, dat wordt overgemaakt aan het hierboven vermelde
bestuur;
3° bij een negatief resultaat van één van deze verslagen,
de andere volgens artikel 5 van dit besluit gemachtigde instellingen hiervan
op de hoogte brengen.
Artikel 7
Het eerste evaluatierapport en het jaarlijks verslag van de controle bevatten
volgende gegevens :
1° benaming, statuut en adres van de installateur,
2° de lijst van de personen die beschikken over de minimale kennis
zoals vermeld in bijlage B punt 8 aan dit besluit.
a) Naam, voornamen, adres, geboortedatum en nummer van de identiteitskaart
of het paspoort van deze personen;
b) De aard van hun juridische band met de installateur;
3° een beschrijving met plattegrond van elke werkplaats waarin de
montage van L.P.G.- installaties wordt uitgevoerd. Op de plattegrond wordt
de plaats aangegeven waar de hefinrichting alsook het kantoor waar de
administratie met betrekking tot de L.P.G.-installatie wordt uitgevoerd,
zich bevinden;
4° een afschrift van de vergunningen zoals vereist in punt 1, 4°
van bijlage B aan dit besluit.
Artikel 8
De instelling die niet of niet meer beantwoordt aan de vereisten van art.
5 van dit besluit is niet gemachtigd de controles met het oog op de erkenning
van installateurs L.P.G. uit te voeren.
De weigering of de intrekking van de machtiging wordt door middel van
een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de betrokkene.
Binnen de dertig dagen na de kennisgeving van de weigering of van de intrekking
van de erkenning kan de betrokkene bij een ter post aangetekende brief
beroep instellen bij de Ministerie van Verkeer en Infrastructuur - Bestuur
van Wegverkeer en Infrastructuur, Dienst Verkeer, Directie Voertuigen,
Residence Palace, blok C, 5de verdieping, Wetstraat 155 - 1040 Brussel.
Het bestuur moet de betrokkene horen.
De Minister die het vervoer onder zijn bevoegdheden heeft, doet uitspraak
binnen de dertig dagen na de verzending van de brief waarin beroep werd
aangetekend.
Het beroep heeft geen schorsende kracht.
Montage van de L.P.G.-installatie en periodieke controles
Artikel 9
De montage van een L.P.G.-installatie gebeurt overeenkomstig de bepalingen
van bijlage C aan dit besluit.
Artikel 10
De installateur die de L.P.G.-installatie heeft gemonteerd of gewijzigd,
bezorgt aan de eigenaar van de auto een montagegetuigschrift overeenkomstig
het model voorzien in bijlage D aan dit besluit. Dit getuigschrift is
voorzien van een nummer samengesteld uit twee onderscheiden delen :
• de vier cijfers van het lopende kalenderjaar;
• een nummer toegekend volgens de chronologische volgorde van de
ingrepen.
Dit getuigschrift blijft bij het voertuig in welke handen het ook overgaat.
Het moet worden getoond bij elke aanbieding van het voertuig bij een station
voor autokeuring.
Artikel 11
§ 1. Iedere auto dat na het in werking treden van dit besluit, voor
zijn aandrijving uitgerust werd voor het gebruik van vloeibaar gemaakte
petroleumgassen, moet bij een station voor autokeuring aangeboden worden
binnen de dertig dagen volgend op de montage of op een wijziging :
1° voor een controle van de dichtheid van de L.P.G.-installatie indien
het een auto met EG-goedkeuring betreft, dat vóór de inschrijving
door de constructeur uitgerust werd;
2° voor een volledige controle van de L.P.G.- installatie als het
een auto betreft dat niet vermeld werd onder 1°.
Tijdens deze periode van dertig dagen moet de bestuurder van het voertuig
op elk verzoek van de personen bevoegd om wegcontroles uit te voeren,
de factuur en het montagegetuigschrift afgegeven door de installateur
voorleggen.
Diezelfde voertuigen worden ook aangeboden bij een station voor autokeuring
voor de controle van de L.P.G.-installatie in volgende gevallen :
• na een ingreep op de L.P.G.-installatie die als een wijziging
van de L.P.G.-installatie kan beschouwd worden, zoals de montage van een
nieuw reservoir, een vervanging of een tijdelijke demontage van één
of meerdere leidingen of hulpstukken;
• wanneer de L.P.G.-installatie werd beschadigd mag de auto enkel
op de openbare weg gebruikt worden om zich naar de werkplaats van een
erkend installateur te begeven, en na herstelling voor een volledige L.P.G.-controle
naar het meest nabije station voor autokeuring.
Indien het resultaat van de controle vermeld onder 1° of 2° van
alinea 1 in overeenstemming is met de voorschriften van dit besluit, wordt
het montage getuigschrift, uitgegegeven door de erkende installateur die
de L.P.G.-uitrusting heeft gemonteerd, gewijzigd of hersteld, gevalideerd
door de autokeuring en wordt een keuringsbewijs afgeleverd, zoals voorzien
in artikel 23 novies § 3 van het koninklijk besluit van 15 maart
1968, en geldig tot de volgende periodieke keuringsdatum van het voertuig
overeenkomstig artikel 23ter van het koninklijk besluit van 15 maart 1968.
§ 2. Tijdens de in § 1, 2° alinea 1, en alinea 3 voorgeschreven
L.P.G. keuringen wordt onderzocht :
1° of de proeven, controles en homologaties van de onderdelen van
de L.P.G.-installatie vastgesteld door de Minister die het vervoer onder
zijn bevoegdheid heeft, uitgevoerd werden door de volgens artikel 5, §
1 erkende instellingen;
2° of de L.P.G.-installatie gasdicht is;
3° of de montage van de L.P.G.-installatie voldoet aan de voorwaarden
vastgesteld door de bijlage C aan dit besluit;
4° of de uitlaatgassen voldoen aan de emissienormen opgelegd in het
koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de
technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen,
en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;
§ 3. Ieder voertuig, dat met een L.P.G.-installatie uitgerust werd
vóór de inwerkingtreding van dit besluit, mag vóór
het einde van de geldigheid van het keuringsbewijs door de autokeuring
gecontroleerd worden overeenkomstig § 1, 2° van dit artikel.
§ 4. De uitrustingen afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese
Economische Ruimte, bedoeld in artikel 2, § 1, alinea 2 moeten een
dichtheidscontrole ondergaan zoals voorgeschreven onder het artikel 11,
§ 1,1° van dit besluit.
§ 5. Voor elk geldig keuringsbewijs, wordt door de autokeuring een
controlevignet aangebracht in de rechter benedenhoek aan de binnenzijde
van de voorruit. Dit vignet heeft het model zoals voorzien in bijlage
E, is zelfvernietigend bij elke poging tot verwijderen en vermeldt het
volgende :
• het nummer van het station van autokeuring;
• het jaar van volgende keuring van het reservoir;
• de erkenningsnummer van de installateur;
• de geldigheidsdatum van het vignet;
• het chassisnummer.
In geval van beschadiging van het controlevignet moet de houder zijn auto
aanbieden op het keuringsstation dat het origineel heeft afgeleverd, om
een duplicaat te laten aanbrengen.
In geval niet alles conform de voorschriften is, wordt een keurbewijs
afgeleverd, zoals voorzien door het koninklijk besluit van 15 maart 1968
houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's,
hun aanhangwagens, hun onderdelen, en hun veiligheidstoebehoren moeten
voldoen.
Het keuringsbewijs wordt getoond telkens wanneer de auto door een voor
autokeuring erkende instelling wordt gecontroleerd.
Ditzelfde bewijs wordt ook vertoond op iedere vordering van de ambtenaren
en beambten die krachtens artikel 80 van het koninklijk besluit van 15
maart 1968 bevoegd zijn om controles op de weg te verrichten.
§ 6. Elke auto waarvan de L.P.G.-installatie volledig verwijderd
werd, wordt eveneens, alvorens weer in gebruik genomen te worden, bij
een station voor autokeuring aangeboden.
§ 7. De nieuwe niet ingeschreven auto's mogen door de importeur,
door de verkoper van de auto of door de erkende installateur bij een station
voor autokeuring aangeboden worden. Het station voor autokeuring levert
dan aan de importeur, aan de verkoper of aan de erkende installateur een
keuringsbewijs af conform § 1.
Artikel 12
De retributies voor de keuringen en afgifte van de in dit besluit bedoelde
keuringsbewijzen en vignetten zijn ten laste van de aanvrager en worden
vastgesteld in artikel 23undecies van het koninklijk besluit van 15 maart
1968.
Wederbeproeving van de installatie
Artikel 13
Het reservoir wordt onderworpen aan een hydraulische druk-proef op 3000
kPa, vijftien jaar na de datum van initïele proef, vermeld op de
identificatieplaat van het reservoir. De werkwijze voor het uitvoeren
van deze hydraulische druk-proef voldoet aan de desbetreffende bepalingen
van het Reglement 67.
De datum van de hydraulische druk-proef en de stempel van de erkende instelling
die ze heeft uitgevoerd worden op de identificatieplaat van het reservoir
geslagen.
Slotbepalingen
Artikel 14
De Minister die het vervoer onder zijn bevoegdheid heeft of zijn gemachtigde
kan afwijkingen toestaan aan de voorwaarden van dit besluit teneinde de
nodige proeven te kunnen verrichten, noodzakelijk om de bepalingen betreffende
de autos die L.P.G. gebruiken, aan te passen aan de evolutie van de techniek
en de industrie.
Artikel 15
Het koninklijk besluit van 13 juli 1977 betreffende het gebruik van vloeibaar
gemaakt petroleumgas (L.P.G.) voor het aandrijven van auto's gewijzigd
bij de koninklijke besluiten van 13 december 1977, 3 april 1978, 14 april
1980, 21 november 1983, 12 december 1991 en 15 december 1998 wordt opgeheven.
Artikel 16
§ 1 - Tot 1 januari 2002, kan het bedrag van de retributie uitgedrukt
in euros en bedoeld in de laatste alinea van artikel 4 betaald worden
vijf duizend belgische franken.
§ 2 - In afwijking van punt 1,2° van de bijlage B aan dit besluit
betreffende de erkenning van de installateurs en de monteurs, mogen de
natuurlijke of rechtspersonen, die in het jaar dat voorafgaat aan het
in werking treden van dit besluit ten minste twintig L.P.G.-installaties
hebben gemonteerd, voor een voorlopige periode van ten hoogste één
jaar en beginnend vanaf de datum van het indienen van de aanvraag, de
montage van L.P.G.-installaties uitvoeren, zelfs zonder beroep te doen
op de diensten van erkende monteurs.
De aanvraag om overeenkomstig de vorige alinea erkend te worden moet gebeuren
binnen de drie maanden volgend op de inwerkingtreding van dit besluit
bij het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur-bestuur van Wegverkeer
en infrastructuur, Dienst verkeer, directie Voertuigen, Residence Palace,
Blok C, 5e verdieping, Wetstraat 155 - 1040 Brussel.
§ 3 - Indien een L.P.G.-installatie voor de datum van het van kracht
worden van dit besluit aan boord van een in België ingeschreven auto
gemonteerd werd, mogen de toebehoren die niet beantwoorden aan de voorschriften
van het Reglement 67 maar wel aan deze van het koninklijk besluit van
13 juli 1977 betreffende het gebruik van vloeibaar gemaakt petroleumgas
(L.P.G.) voor het aandrijven van auto's, nog na het in voege treden van
dit besluit gebruikt worden.
Deze bepaling is niet van toepassing op de elektrische schakelaar van
de dienstkraan en de automatische vulbegrenzer van het reservoir. Deze
twee toebehoren moeten gemonteerd worden binnen het jaar volgend op de
inwerkingtreding van dit besluit.
Na montage van deze twee toebehoren wordt het vignet, zoals voorgeschreven
in artikel 11, § 5 door de autokeuring evenwel niet afgeleverd indien
niet alle onderdelen van de installatie beantwoorden aan de vereisten
van het Reglement 67.
Artikel 17
Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op die
gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
Artikel 18
Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer en onze Minister van Middenstand
en Landbouw zijn belast met de uitvoering van dit besluit.
BIJLAGEN
• Bijlage A : voorbeelden van goedkeuringsmerken bedoeld in artikel
2, § 2, alinea 8 van dit besluit.
• Bijlage B : erkenning van de installateurs en demonteurs (art.
4)
• Bijlage C : montage van een L.P.G.-installatie (art. 9)
• Bijlage D : montagegetuigschrift
• Bijlage E : model van vignet zoals bedoeld in art. 11,§ 5
Zie ook :
• Koninklijk besluit van 14 februari 2001 betreffende de invoering
van een premiestelsel om het inbouwen van een LPG-installatie in wagens
te promoten.
• Ministerieel besluit van 23 februari 2001 houdende vaststelling
van de praktische modaliteiten in uitvoering van het koninklijk besluit
van 14 februari 2001 betreffende de invoering van een premiestelsel om
het inbouwen van een LPG-installatie in wagens te promoten (aanvraagformulier).
Koninklijk besluit van 09 mei 2001 betreffende het gebruik van vloeibaar
gemaakte petroleumgassen (L.P.G.) voor het aandrijven van auto's.
(B.S. 06.06.2001)
I N H O U D
- criteria waaraan LPG-installaties + onderdelen moeten beantwoorden
- erkende instellingen voor de homologatie van LPG-installaties + onderdelen
- erkenning van installateurs en monteurs
- controle van de geschiktheid tot erkenning van installateurs
- montage van de LPG-installatie en periodieke controles
- wederbeproeving van de installatie
- slotbepalingen
- bijlagen
Artikel 1
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° "auto" : elk motorvoertuig waarvan de eigen massa hoger
is dan 400 kg met uitzondering van de bromfietsen en de motorfietsen zoals
die omschreven zijn in artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 oktober
1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen,
de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen, en in artikel 2,
§ 1 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968;
2° « L.P.G. » : vloeibaar gemaakte petroleumgassen, in
hoofdzaak samengesteld uit propaan en butaan, bestemd voor de aandrijving
van auto's;
3° « L.P.G. B installateur » : de natuurlijke persoon
of rechtspersoon, ingeschreven in het handelsregister als garagehouder-hersteller
of als autoconstructeur, en onder wiens verantwoordelijkheid L.P.G. B
installaties worden ingebouwd;
4° « L.P.G. B monteur » : de natuurlijke persoon die gekwalificeerd
is voor het uitvoeren van de inbouwwerkzaamheden, en die voldoet aan de
minimumvoorwaarden bepaald in art. 4 van dit besluit en als bewijs van
zijn minimale technische kennis met succes aan het examen heeft deelgenomen;
5° « L.P.G. installatie » : het geheel van de aan boord
van een auto gemonteerde uitrusting, die het mogelijk maakt om L.P.G.
voor zijn aandrijving te gebruiken;
6° « reservoir » : de houder, bestemd om aan boord van
een auto de voorraad L.P.G. te bevatten, bestemd voor zijn aandrijving;
7° « Reglement 67 » : eenvormige voorschriften betreffende
de goedkeuring van de speciale uitrusting van auto's die vloeibaar gemaakte
petroleumgassen gebruiken voor hun aandrijfsysteem.
8° « initiële proef » : eerste drukproef vóór
het op de markt brengen.
Criteria waaraan de L.P.G.-installaties en hun onderdelen moeten beantwoorden
Artikel 2
§ 1. Het Reglement 67 is van toepassing voor wat betreft het reservoir
en de onderdelen van de installatie, onder voorbehoud van voorschriften
die gelijkwaardige of voldoeninggevende waarborgen bieden ten aanzien
van de veiligheidsdoelstellingen van het Reglement 67, die getroffen zouden
worden op voorstel van de Minister die het vervoer in zijn bevoegdheden
heeft. Zowel de reservoirs van klasse A als deze van klasse B worden voorzien
van een overdrukklep.
Alle materieel beschikkend over de homologatie en over het merkteken CE,
en elk montage uitgevoerd in overeenstemming met normen aanvaard in een
andere Staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte en opgesteld
in het kader van een systeem dat evenwaardige garanties biedt op het vlak
van doeltreffenheid en waarbij de voorschriften een evenwaardig veiligheidsniveau
waarborgen, wordt geacht eveneens te voldoen aan de bepalingen van dit
besluit.
§ 2 De prototypes van reservoirs en van onderdelen van de L.P.G.-installatie
worden onderworpen aan een homologatieproef.
Indien de door het Reglement 67 voorgeschreven procedures worden uitgevoerd
in Belgïe, worden de homologaties van de onderdelen verleend door
de Directeur generaal van het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur
of door zijn gemachtigde op basis van een verslag uitgegeven door een
hiervoor erkende instelling.
De aanvraag tot homologatie van een prototype van een uitrusting wordt
door de fabrikant of zijn behoorlijk gemachtigde vertegenwoordiger bij
een erkende instelling ingediend op de in het Reglement 67 voorgeschreven
wijze.
De aan de homologatie van een prototype verbonden kosten zijn ten laste
van de aanvrager.
De erkende instelling geeft het in alinea 2 vernoemd verslag af indien
zij vaststelt dat de onderdelen beantwoorden aan de voorschriften van
het reglement 67.
Indien een erkende instelling, na een aanvraag tot homologatie van een
prototype, niet kan overgaan tot de afgifte van het in alinea 2 vernoemd
rapport, brengt zij het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur hiervan
op de hoogte.
Het homologatiemerk dat overeenkomstig het Reglement 67 wordt aangebracht
op alle reservoirs en onderdelen gehomologeerd in België, is als
volgt samengesteld (zie bijlage A) :
• een cirkel met daarin de vermelding « E6 »
• rechts van deze cirkel, de vermelding « 67R- » gevolgd
door een homologatienummer bestaande uit 6 cijfers, toegekend door het
Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur.
Indien de prototypes van uitrustingen de procedure voorgeschreven door
het Reglement 67 in een ander land dan Belgïe hebben ondergaan, wordt
het cijfer « 6 » vervangen door het cijfer dat werd toegekend
aan dit land in het kader van de Overeenkomst betreffende het aannemen
van eenvormige homologatievoorwaarden en de wederzijdse erkenning van
homologatie van uitrustingen en onderdelen van auto's, ondertekend op
20 maart 1958 te Genève.
Deze uitrustingen moeten op dezelfde wijze worden aanvaard als deze gehomologeerd
in Belgïe.
Elke wijziging aan een uitrusting wordt meegedeeld aan de erkende instelling
die de aanvraag tot homologatie van het prototype heeft behandeld. Deze
instelling onderzoekt of deze wijziging ingrijpende gevolgen heeft. Indien
bevestigend wordt geantwoord, dan moet voor deze gewijzigde uitrusting
een nieuwe prototypehomologatie plaatsvinden.
Indien de productie van een gehomologeerde uitrusting definitief wordt
stopgezet, moet de fabrikant of de verdeler van deze uitrusting het Bestuur
van Wegverkeer en Infrastructuur daarvan op de hoogte brengen.
De fabrikant vergewist zich ervan, op de in het Reglement 67 voorgeschreven
wijze, of elke gefabriceerde uitrusting overeenstemt met het gehomologeerd
prototype en voldoet aan de voorschriften van dit besluit.
De erkende instelling die het verslag m.b.t. het prototype bij het Bestuur
van Wegverkeer en Infrastructuur heeft ingediend, ziet B via een steekproefgewijs
uitgevoerde productiecontrole, met de voor homologatie van het prototype
voorziene metingen en proefnemingen- na dat de in serie vervaardigde uitrustingen
conform zijn aan het prototype. Ze kan bovendien op ieder ogenblik nakijken
of de door de fabrikant aangewende controlemethodes en B-apparatuur voldoen
om het in dit besluit gesteld objectief te bereiken en ziet eveneens de
controleresultaten na.
Indien het in het vorige alinea vernoemd nazicht negatieve resultaten
oplevert, brengt de erkende instelling het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur
hiervan op de hoogte; die kan de homologatie van het prototype van de
desbetreffende uitrusting intrekken.
De homologatie van een prototype wordt ingetrokken wanneer :
1° de uitrusting conform aan een gehomologeerd model, een gebrek van
algemene aard vertoont waardoor deze ongeschikt wordt voor het gebruik
waarvoor deze bestemd is, of wanneer wordt vastgesteld dat de homologatie
van een prototype onrechte werd verleend;
2° de voorschriften voorzien in § 1 zodanig gewijzigd werden,
dat deze gewijzigde voorwaarden, het prototype niet meer voor homologatie
in aanmerking zou komen.
3° de uitrusting niet meer conform is aan het gehomologeerde prototype;µ
4° de bijzondere voorschriften opgelegd door het homologatiegetuigschrift
van het prototype niet gerespecteerd worden.
Erkende instellingen voor de homologatie van de L.P.G.-installaties en
hun onderdelen
Artikel 3
De Minister die het vervoer onder zijn bevoegdheden heeft of zijn gemachtigde
erkent de instellingen die bevoegd zijn om de proeven, testen, en controles
uit te voeren op de L.P.G.-installaties waarvoor een homologatieprocedure
in Belgïe werd aangevraagd.
De vergoedingen voor de proeven en controles uitgevoerd door de in alinea
1 vernoemde instellingen zijn ten laste van de aanvrager.
Erkenning van de installateurs en monteurs
Artikel 4
§ 1. De natuurlijke personen of rechtspersonen onder wiens gezag
en verantwoordelijkheid L.P.G. -installaties in auto's worden gemonteerd
of gewijzigd, worden erken als L.P.G. Binstallateur door de Minister die
het vervoer onder zijn bevoegdheden heeft of door zijn gemachtigde, onder
de voorwaarden bepaald in bijlage B.
Voor de montage doet de installateur een beroep op één of
meerdere monteurs erkend onder de voorwaarden bepaald in bijlage B. De
installateur als natuurlijk persoon, kan zelf als monteur erkend worden.
De erkenning als installateur is onderworpen aan een retributie waarvan
het bedrag bepaald is op honderd vijfentwintig euro.
Controle van de geschiktheid tot erkenning van installateurs
Artikel 5
De Minister die het vervoer onder zijn bevoegdheid heeft of zijn afgevaardigde
erkent en machtigt de instellingen die bevoegd zijn om de controles met
het oog op de erkenning van L.P.G. installateurs uit te voeren, zoals
voorzien in artikel 6 van dit besluit, voor zover zij het bewijs leveren
dat ze geaccrediteerd zijn volgens de vereisten van NBN EN 45.004 voor
instellingen van het type A voor de voorwerpen en toestellen onder druk.
Zij moeten bovendien gevestigd zijn in een lidstaat van de Europese Economische
Ruimte.
Artikel 6
De Minister stelt een lijst op van de erkende instellingen en deelt deze
mede aan deze instellingen.
De overeenkomstig artikel 5 gemachtigde controle-instellingen zullen :
1° aan de Directie Voertuigen van het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur
een eerste evaluatierapport overmaken betreffende de overeenstemming van
de installateur met de voorschriften van dit besluit;
2° ten minste éénmaal per jaar een controle uitvoeren
bij de erkende installateurs, om na te gaan of zij voldoen aan de voorwaarden
van dit besluit,waarbij een verslag wordt opgemaakt volgens de bepalingen
vermeld in artikel 7, dat wordt overgemaakt aan het hierboven vermelde
bestuur;
3° bij een negatief resultaat van één van deze verslagen,
de andere volgens artikel 5 van dit besluit gemachtigde instellingen hiervan
op de hoogte brengen.
Artikel 7
Het eerste evaluatierapport en het jaarlijks verslag van de controle bevatten
volgende gegevens :
1° benaming, statuut en adres van de installateur,
2° de lijst van de personen die beschikken over de minimale kennis
zoals vermeld in bijlage B punt 8 aan dit besluit.
a) Naam, voornamen, adres, geboortedatum en nummer van de identiteitskaart
of het paspoort van deze personen;
b) De aard van hun juridische band met de installateur;
3° een beschrijving met plattegrond van elke werkplaats waarin de
montage van L.P.G.- installaties wordt uitgevoerd. Op de plattegrond wordt
de plaats aangegeven waar de hefinrichting alsook het kantoor waar de
administratie met betrekking tot de L.P.G.-installatie wordt uitgevoerd,
zich bevinden;
4° een afschrift van de vergunningen zoals vereist in punt 1, 4°
van bijlage B aan dit besluit.
Artikel 8
De instelling die niet of niet meer beantwoordt aan de vereisten van art.
5 van dit besluit is niet gemachtigd de controles met het oog op de erkenning
van installateurs L.P.G. uit te voeren.
De weigering of de intrekking van de machtiging wordt door middel van
een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de betrokkene.
Binnen de dertig dagen na de kennisgeving van de weigering of van de intrekking
van de erkenning kan de betrokkene bij een ter post aangetekende brief
beroep instellen bij de Ministerie van Verkeer en Infrastructuur - Bestuur
van Wegverkeer en Infrastructuur, Dienst Verkeer, Directie Voertuigen,
Residence Palace, blok C, 5de verdieping, Wetstraat 155 - 1040 Brussel.
Het bestuur moet de betrokkene horen.
De Minister die het vervoer onder zijn bevoegdheden heeft, doet uitspraak
binnen de dertig dagen na de verzending van de brief waarin beroep werd
aangetekend.
Het beroep heeft geen schorsende kracht.
Montage van de L.P.G.-installatie en periodieke controles
Artikel 9
De montage van een L.P.G.-installatie gebeurt overeenkomstig de bepalingen
van bijlage C aan dit besluit.
Artikel 10
De installateur die de L.P.G.-installatie heeft gemonteerd of gewijzigd,
bezorgt aan de eigenaar van de auto een montagegetuigschrift overeenkomstig
het model voorzien in bijlage D aan dit besluit. Dit getuigschrift is
voorzien van een nummer samengesteld uit twee onderscheiden delen :
• de vier cijfers van het lopende kalenderjaar;
• een nummer toegekend volgens de chronologische volgorde van de
ingrepen.
Dit getuigschrift blijft bij het voertuig in welke handen het ook overgaat.
Het moet worden getoond bij elke aanbieding van het voertuig bij een station
voor autokeuring.
Artikel 11
§ 1. Iedere auto dat na het in werking treden van dit besluit, voor
zijn aandrijving uitgerust werd voor het gebruik van vloeibaar gemaakte
petroleumgassen, moet bij een station voor autokeuring aangeboden worden
binnen de dertig dagen volgend op de montage of op een wijziging :
1° voor een controle van de dichtheid van de L.P.G.-installatie indien
het een auto met EG-goedkeuring betreft, dat vóór de inschrijving
door de constructeur uitgerust werd;
2° voor een volledige controle van de L.P.G.- installatie als het
een auto betreft dat niet vermeld werd onder 1°.
Tijdens deze periode van dertig dagen moet de bestuurder van het voertuig
op elk verzoek van de personen bevoegd om wegcontroles uit te voeren,
de factuur en het montagegetuigschrift afgegeven door de installateur
voorleggen.
Diezelfde voertuigen worden ook aangeboden bij een station voor autokeuring
voor de controle van de L.P.G.-installatie in volgende gevallen :
• na een ingreep op de L.P.G.-installatie die als een wijziging
van de L.P.G.-installatie kan beschouwd worden, zoals de montage van een
nieuw reservoir, een vervanging of een tijdelijke demontage van één
of meerdere leidingen of hulpstukken;
• wanneer de L.P.G.-installatie werd beschadigd mag de auto enkel
op de openbare weg gebruikt worden om zich naar de werkplaats van een
erkend installateur te begeven, en na herstelling voor een volledige L.P.G.-controle
naar het meest nabije station voor autokeuring.
Indien het resultaat van de controle vermeld onder 1° of 2° van
alinea 1 in overeenstemming is met de voorschriften van dit besluit, wordt
het montage getuigschrift, uitgegegeven door de erkende installateur die
de L.P.G.-uitrusting heeft gemonteerd, gewijzigd of hersteld, gevalideerd
door de autokeuring en wordt een keuringsbewijs afgeleverd, zoals voorzien
in artikel 23 novies § 3 van het koninklijk besluit van 15 maart
1968, en geldig tot de volgende periodieke keuringsdatum van het voertuig
overeenkomstig artikel 23ter van het koninklijk besluit van 15 maart 1968.
§ 2. Tijdens de in § 1, 2° alinea 1, en alinea 3 voorgeschreven
L.P.G. keuringen wordt onderzocht :
1° of de proeven, controles en homologaties van de onderdelen van
de L.P.G.-installatie vastgesteld door de Minister die het vervoer onder
zijn bevoegdheid heeft, uitgevoerd werden door de volgens artikel 5, §
1 erkende instellingen;
2° of de L.P.G.-installatie gasdicht is;
3° of de montage van de L.P.G.-installatie voldoet aan de voorwaarden
vastgesteld door de bijlage C aan dit besluit;
4° of de uitlaatgassen voldoen aan de emissienormen opgelegd in het
koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de
technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen,
en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;
§ 3. Ieder voertuig, dat met een L.P.G.-installatie uitgerust werd
vóór de inwerkingtreding van dit besluit, mag vóór
het einde van de geldigheid van het keuringsbewijs door de autokeuring
gecontroleerd worden overeenkomstig § 1, 2° van dit artikel.
§ 4. De uitrustingen afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese
Economische Ruimte, bedoeld in artikel 2, § 1, alinea 2 moeten een
dichtheidscontrole ondergaan zoals voorgeschreven onder het artikel 11,
§ 1,1° van dit besluit.
§ 5. Voor elk geldig keuringsbewijs, wordt door de autokeuring een
controlevignet aangebracht in de rechter benedenhoek aan de binnenzijde
van de voorruit. Dit vignet heeft het model zoals voorzien in bijlage
E, is zelfvernietigend bij elke poging tot verwijderen en vermeldt het
volgende :
• het nummer van het station van autokeuring;
• het jaar van volgende keuring van het reservoir;
• de erkenningsnummer van de installateur;
• de geldigheidsdatum van het vignet;
• het chassisnummer.
In geval van beschadiging van het controlevignet moet de houder zijn auto
aanbieden op het keuringsstation dat het origineel heeft afgeleverd, om
een duplicaat te laten aanbrengen.
In geval niet alles conform de voorschriften is, wordt een keurbewijs
afgeleverd, zoals voorzien door het koninklijk besluit van 15 maart 1968
houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's,
hun aanhangwagens, hun onderdelen, en hun veiligheidstoebehoren moeten
voldoen.
Het keuringsbewijs wordt getoond telkens wanneer de auto door een voor
autokeuring erkende instelling wordt gecontroleerd.
Ditzelfde bewijs wordt ook vertoond op iedere vordering van de ambtenaren
en beambten die krachtens artikel 80 van het koninklijk besluit van 15
maart 1968 bevoegd zijn om controles op de weg te verrichten.
§ 6. Elke auto waarvan de L.P.G.-installatie volledig verwijderd
werd, wordt eveneens, alvorens weer in gebruik genomen te worden, bij
een station voor autokeuring aangeboden.
§ 7. De nieuwe niet ingeschreven auto's mogen door de importeur,
door de verkoper van de auto of door de erkende installateur bij een station
voor autokeuring aangeboden worden. Het station voor autokeuring levert
dan aan de importeur, aan de verkoper of aan de erkende installateur een
keuringsbewijs af conform § 1.
Artikel 12
De retributies voor de keuringen en afgifte van de in dit besluit bedoelde
keuringsbewijzen en vignetten zijn ten laste van de aanvrager en worden
vastgesteld in artikel 23undecies van het koninklijk besluit van 15 maart
1968.
Wederbeproeving van de installatie
Artikel 13
Het reservoir wordt onderworpen aan een hydraulische druk-proef op 3000
kPa, vijftien jaar na de datum van initïele proef, vermeld op de
identificatieplaat van het reservoir. De werkwijze voor het uitvoeren
van deze hydraulische druk-proef voldoet aan de desbetreffende bepalingen
van het Reglement 67.
De datum van de hydraulische druk-proef en de stempel van de erkende instelling
die ze heeft uitgevoerd worden op de identificatieplaat van het reservoir
geslagen.
Slotbepalingen
Artikel 14
De Minister die het vervoer onder zijn bevoegdheid heeft of zijn gemachtigde
kan afwijkingen toestaan aan de voorwaarden van dit besluit teneinde de
nodige proeven te kunnen verrichten, noodzakelijk om de bepalingen betreffende
de autos die L.P.G. gebruiken, aan te passen aan de evolutie van de techniek
en de industrie.
Artikel 15
Het koninklijk besluit van 13 juli 1977 betreffende het gebruik van vloeibaar
gemaakt petroleumgas (L.P.G.) voor het aandrijven van auto's gewijzigd
bij de koninklijke besluiten van 13 december 1977, 3 april 1978, 14 april
1980, 21 november 1983, 12 december 1991 en 15 december 1998 wordt opgeheven.
Artikel 16
§ 1 - Tot 1 januari 2002, kan het bedrag van de retributie uitgedrukt
in euros en bedoeld in de laatste alinea van artikel 4 betaald worden
vijf duizend belgische franken.
§ 2 - In afwijking van punt 1,2° van de bijlage B aan dit besluit
betreffende de erkenning van de installateurs en de monteurs, mogen de
natuurlijke of rechtspersonen, die in het jaar dat voorafgaat aan het
in werking treden van dit besluit ten minste twintig L.P.G.-installaties
hebben gemonteerd, voor een voorlopige periode van ten hoogste één
jaar en beginnend vanaf de datum van het indienen van de aanvraag, de
montage van L.P.G.-installaties uitvoeren, zelfs zonder beroep te doen
op de diensten van erkende monteurs.
De aanvraag om overeenkomstig de vorige alinea erkend te worden moet gebeuren
binnen de drie maanden volgend op de inwerkingtreding van dit besluit
bij het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur-bestuur van Wegverkeer
en infrastructuur, Dienst verkeer, directie Voertuigen, Residence Palace,
Blok C, 5e verdieping, Wetstraat 155 - 1040 Brussel.
§ 3 - Indien een L.P.G.-installatie voor de datum van het van kracht
worden van dit besluit aan boord van een in België ingeschreven auto
gemonteerd werd, mogen de toebehoren die niet beantwoorden aan de voorschriften
van het Reglement 67 maar wel aan deze van het koninklijk besluit van
13 juli 1977 betreffende het gebruik van vloeibaar gemaakt petroleumgas
(L.P.G.) voor het aandrijven van auto's, nog na het in voege treden van
dit besluit gebruikt worden.
Deze bepaling is niet van toepassing op de elektrische schakelaar van
de dienstkraan en de automatische vulbegrenzer van het reservoir. Deze
twee toebehoren moeten gemonteerd worden binnen het jaar volgend op de
inwerkingtreding van dit besluit.
Na montage van deze twee toebehoren wordt het vignet, zoals voorgeschreven
in artikel 11, § 5 door de autokeuring evenwel niet afgeleverd indien
niet alle onderdelen van de installatie beantwoorden aan de vereisten
van het Reglement 67.
Artikel 17
Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op die
gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
Artikel 18
Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer en onze Minister van Middenstand
en Landbouw zijn belast met de uitvoering van dit besluit.
BIJLAGEN
• Bijlage A : voorbeelden van goedkeuringsmerken bedoeld in artikel
2, § 2, alinea 8 van dit besluit.
• Bijlage B : erkenning van de installateurs en demonteurs (art.
4)
• Bijlage C : montage van een L.P.G.-installatie (art. 9)
• Bijlage D : montagegetuigschrift
• Bijlage E : model van vignet zoals bedoeld in art. 11,§ 5
Zie ook :
• Koninklijk besluit van 14 februari 2001 betreffende de invoering
van een premiestelsel om het inbouwen van een LPG-installatie in wagens
te promoten.
• Ministerieel besluit van 23 februari 2001 houdende vaststelling
van de praktische modaliteiten in uitvoering van het koninklijk besluit
van 14 februari 2001 betreffende de invoering van een premiestelsel om
het inbouwen van een LPG-installatie in wagens te promoten (aanvraagformulier).
Koninklijk besluit van 09 mei 2001 betreffende het gebruik van vloeibaar
gemaakte petroleumgassen (L.P.G.) voor het aandrijven van auto's.
(B.S. 06.06.2001)
I N H O U D
- criteria waaraan LPG-installaties + onderdelen moeten beantwoorden
- erkende instellingen voor de homologatie van LPG-installaties + onderdelen
- erkenning van installateurs en monteurs
- controle van de geschiktheid tot erkenning van installateurs
- montage van de LPG-installatie en periodieke controles
- wederbeproeving van de installatie
- slotbepalingen
- bijlagen
Artikel 1
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° "auto" : elk motorvoertuig waarvan de eigen massa hoger
is dan 400 kg met uitzondering van de bromfietsen en de motorfietsen zoals
die omschreven zijn in artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 oktober
1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen,
de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen, en in artikel 2,
§ 1 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968;
2° « L.P.G. » : vloeibaar gemaakte petroleumgassen, in
hoofdzaak samengesteld uit propaan en butaan, bestemd voor de aandrijving
van auto's;
3° « L.P.G. B installateur » : de natuurlijke persoon
of rechtspersoon, ingeschreven in het handelsregister als garagehouder-hersteller
of als autoconstructeur, en onder wiens verantwoordelijkheid L.P.G. B
installaties worden ingebouwd;
4° « L.P.G. B monteur » : de natuurlijke persoon die gekwalificeerd
is voor het uitvoeren van de inbouwwerkzaamheden, en die voldoet aan de
minimumvoorwaarden bepaald in art. 4 van dit besluit en als bewijs van
zijn minimale technische kennis met succes aan het examen heeft deelgenomen;
5° « L.P.G. installatie » : het geheel van de aan boord
van een auto gemonteerde uitrusting, die het mogelijk maakt om L.P.G.
voor zijn aandrijving te gebruiken;
6° « reservoir » : de houder, bestemd om aan boord van
een auto de voorraad L.P.G. te bevatten, bestemd voor zijn aandrijving;
7° « Reglement 67 » : eenvormige voorschriften betreffende
de goedkeuring van de speciale uitrusting van auto's die vloeibaar gemaakte
petroleumgassen gebruiken voor hun aandrijfsysteem.
8° « initiële proef » : eerste drukproef vóór
het op de markt brengen.
Criteria waaraan de L.P.G.-installaties en hun onderdelen moeten beantwoorden
Artikel 2
§ 1. Het Reglement 67 is van toepassing voor wat betreft het reservoir
en de onderdelen van de installatie, onder voorbehoud van voorschriften
die gelijkwaardige of voldoeninggevende waarborgen bieden ten aanzien
van de veiligheidsdoelstellingen van het Reglement 67, die getroffen zouden
worden op voorstel van de Minister die het vervoer in zijn bevoegdheden
heeft. Zowel de reservoirs van klasse A als deze van klasse B worden voorzien
van een overdrukklep.
Alle materieel beschikkend over de homologatie en over het merkteken CE,
en elk montage uitgevoerd in overeenstemming met normen aanvaard in een
andere Staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte en opgesteld
in het kader van een systeem dat evenwaardige garanties biedt op het vlak
van doeltreffenheid en waarbij de voorschriften een evenwaardig veiligheidsniveau
waarborgen, wordt geacht eveneens te voldoen aan de bepalingen van dit
besluit.
§ 2 De prototypes van reservoirs en van onderdelen van de L.P.G.-installatie
worden onderworpen aan een homologatieproef.
Indien de door het Reglement 67 voorgeschreven procedures worden uitgevoerd
in Belgïe, worden de homologaties van de onderdelen verleend door
de Directeur generaal van het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur
of door zijn gemachtigde op basis van een verslag uitgegeven door een
hiervoor erkende instelling.
De aanvraag tot homologatie van een prototype van een uitrusting wordt
door de fabrikant of zijn behoorlijk gemachtigde vertegenwoordiger bij
een erkende instelling ingediend op de in het Reglement 67 voorgeschreven
wijze.
De aan de homologatie van een prototype verbonden kosten zijn ten laste
van de aanvrager.
De erkende instelling geeft het in alinea 2 vernoemd verslag af indien
zij vaststelt dat de onderdelen beantwoorden aan de voorschriften van
het reglement 67.
Indien een erkende instelling, na een aanvraag tot homologatie van een
prototype, niet kan overgaan tot de afgifte van het in alinea 2 vernoemd
rapport, brengt zij het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur hiervan
op de hoogte.
Het homologatiemerk dat overeenkomstig het Reglement 67 wordt aangebracht
op alle reservoirs en onderdelen gehomologeerd in België, is als
volgt samengesteld (zie bijlage A) :
• een cirkel met daarin de vermelding « E6 »
• rechts van deze cirkel, de vermelding « 67R- » gevolgd
door een homologatienummer bestaande uit 6 cijfers, toegekend door het
Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur.
Indien de prototypes van uitrustingen de procedure voorgeschreven door
het Reglement 67 in een ander land dan Belgïe hebben ondergaan, wordt
het cijfer « 6 » vervangen door het cijfer dat werd toegekend
aan dit land in het kader van de Overeenkomst betreffende het aannemen
van eenvormige homologatievoorwaarden en de wederzijdse erkenning van
homologatie van uitrustingen en onderdelen van auto's, ondertekend op
20 maart 1958 te Genève.
Deze uitrustingen moeten op dezelfde wijze worden aanvaard als deze gehomologeerd
in Belgïe.
Elke wijziging aan een uitrusting wordt meegedeeld aan de erkende instelling
die de aanvraag tot homologatie van het prototype heeft behandeld. Deze
instelling onderzoekt of deze wijziging ingrijpende gevolgen heeft. Indien
bevestigend wordt geantwoord, dan moet voor deze gewijzigde uitrusting
een nieuwe prototypehomologatie plaatsvinden.
Indien de productie van een gehomologeerde uitrusting definitief wordt
stopgezet, moet de fabrikant of de verdeler van deze uitrusting het Bestuur
van Wegverkeer en Infrastructuur daarvan op de hoogte brengen.
De fabrikant vergewist zich ervan, op de in het Reglement 67 voorgeschreven
wijze, of elke gefabriceerde uitrusting overeenstemt met het gehomologeerd
prototype en voldoet aan de voorschriften van dit besluit.
De erkende instelling die het verslag m.b.t. het prototype bij het Bestuur
van Wegverkeer en Infrastructuur heeft ingediend, ziet B via een steekproefgewijs
uitgevoerde productiecontrole, met de voor homologatie van het prototype
voorziene metingen en proefnemingen- na dat de in serie vervaardigde uitrustingen
conform zijn aan het prototype. Ze kan bovendien op ieder ogenblik nakijken
of de door de fabrikant aangewende controlemethodes en B-apparatuur voldoen
om het in dit besluit gesteld objectief te bereiken en ziet eveneens de
controleresultaten na.
Indien het in het vorige alinea vernoemd nazicht negatieve resultaten
oplevert, brengt de erkende instelling het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur
hiervan op de hoogte; die kan de homologatie van het prototype van de
desbetreffende uitrusting intrekken.
De homologatie van een prototype wordt ingetrokken wanneer :
1° de uitrusting conform aan een gehomologeerd model, een gebrek van
algemene aard vertoont waardoor deze ongeschikt wordt voor het gebruik
waarvoor deze bestemd is, of wanneer wordt vastgesteld dat de homologatie
van een prototype onrechte werd verleend;
2° de voorschriften voorzien in § 1 zodanig gewijzigd werden,
dat deze gewijzigde voorwaarden, het prototype niet meer voor homologatie
in aanmerking zou komen.
3° de uitrusting niet meer conform is aan het gehomologeerde prototype;µ
4° de bijzondere voorschriften opgelegd door het homologatiegetuigschrift
van het prototype niet gerespecteerd worden.
Erkende instellingen voor de homologatie van de L.P.G.-installaties en
hun onderdelen
Artikel 3
De Minister die het vervoer onder zijn bevoegdheden heeft of zijn gemachtigde
erkent de instellingen die bevoegd zijn om de proeven, testen, en controles
uit te voeren op de L.P.G.-installaties waarvoor een homologatieprocedure
in Belgïe werd aangevraagd.
De vergoedingen voor de proeven en controles uitgevoerd door de in alinea
1 vernoemde instellingen zijn ten laste van de aanvrager.
Erkenning van de installateurs en monteurs
Artikel 4
§ 1. De natuurlijke personen of rechtspersonen onder wiens gezag
en verantwoordelijkheid L.P.G. -installaties in auto's worden gemonteerd
of gewijzigd, worden erken als L.P.G. Binstallateur door de Minister die
het vervoer onder zijn bevoegdheden heeft of door zijn gemachtigde, onder
de voorwaarden bepaald in bijlage B.
Voor de montage doet de installateur een beroep op één of
meerdere monteurs erkend onder de voorwaarden bepaald in bijlage B. De
installateur als natuurlijk persoon, kan zelf als monteur erkend worden.
De erkenning als installateur is onderworpen aan een retributie waarvan
het bedrag bepaald is op honderd vijfentwintig euro.
Controle van de geschiktheid tot erkenning van installateurs
Artikel 5
De Minister die het vervoer onder zijn bevoegdheid heeft of zijn afgevaardigde
erkent en machtigt de instellingen die bevoegd zijn om de controles met
het oog op de erkenning van L.P.G. installateurs uit te voeren, zoals
voorzien in artikel 6 van dit besluit, voor zover zij het bewijs leveren
dat ze geaccrediteerd zijn volgens de vereisten van NBN EN 45.004 voor
instellingen van het type A voor de voorwerpen en toestellen onder druk.
Zij moeten bovendien gevestigd zijn in een lidstaat van de Europese Economische
Ruimte.
Artikel 6
De Minister stelt een lijst op van de erkende instellingen en deelt deze
mede aan deze instellingen.
De overeenkomstig artikel 5 gemachtigde controle-instellingen zullen :
1° aan de Directie Voertuigen van het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur
een eerste evaluatierapport overmaken betreffende de overeenstemming van
de installateur met de voorschriften van dit besluit;
2° ten minste éénmaal per jaar een controle uitvoeren
bij de erkende installateurs, om na te gaan of zij voldoen aan de voorwaarden
van dit besluit,waarbij een verslag wordt opgemaakt volgens de bepalingen
vermeld in artikel 7, dat wordt overgemaakt aan het hierboven vermelde
bestuur;
3° bij een negatief resultaat van één van deze verslagen,
de andere volgens artikel 5 van dit besluit gemachtigde instellingen hiervan
op de hoogte brengen.
Artikel 7
Het eerste evaluatierapport en het jaarlijks verslag van de controle bevatten
volgende gegevens :
1° benaming, statuut en adres van de installateur,
2° de lijst van de personen die beschikken over de minimale kennis
zoals vermeld in bijlage B punt 8 aan dit besluit.
a) Naam, voornamen, adres, geboortedatum en nummer van de identiteitskaart
of het paspoort van deze personen;
b) De aard van hun juridische band met de installateur;
3° een beschrijving met plattegrond van elke werkplaats waarin de
montage van L.P.G.- installaties wordt uitgevoerd. Op de plattegrond wordt
de plaats aangegeven waar de hefinrichting alsook het kantoor waar de
administratie met betrekking tot de L.P.G.-installatie wordt uitgevoerd,
zich bevinden;
4° een afschrift van de vergunningen zoals vereist in punt 1, 4°
van bijlage B aan dit besluit.
Artikel 8
De instelling die niet of niet meer beantwoordt aan de vereisten van art.
5 van dit besluit is niet gemachtigd de controles met het oog op de erkenning
van installateurs L.P.G. uit te voeren.
De weigering of de intrekking van de machtiging wordt door middel van
een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de betrokkene.
Binnen de dertig dagen na de kennisgeving van de weigering of van de intrekking
van de erkenning kan de betrokkene bij een ter post aangetekende brief
beroep instellen bij de Ministerie van Verkeer en Infrastructuur - Bestuur
van Wegverkeer en Infrastructuur, Dienst Verkeer, Directie Voertuigen,
Residence Palace, blok C, 5de verdieping, Wetstraat 155 - 1040 Brussel.
Het bestuur moet de betrokkene horen.
De Minister die het vervoer onder zijn bevoegdheden heeft, doet uitspraak
binnen de dertig dagen na de verzending van de brief waarin beroep werd
aangetekend.
Het beroep heeft geen schorsende kracht.
Montage van de L.P.G.-installatie en periodieke controles
Artikel 9
De montage van een L.P.G.-installatie gebeurt overeenkomstig de bepalingen
van bijlage C aan dit besluit.
Artikel 10
De installateur die de L.P.G.-installatie heeft gemonteerd of gewijzigd,
bezorgt aan de eigenaar van de auto een montagegetuigschrift overeenkomstig
het model voorzien in bijlage D aan dit besluit. Dit getuigschrift is
voorzien van een nummer samengesteld uit twee onderscheiden delen :
• de vier cijfers van het lopende kalenderjaar;
• een nummer toegekend volgens de chronologische volgorde van de
ingrepen.
Dit getuigschrift blijft bij het voertuig in welke handen het ook overgaat.
Het moet worden getoond bij elke aanbieding van het voertuig bij een station
voor autokeuring.
Artikel 11
§ 1. Iedere auto dat na het in werking treden van dit besluit, voor
zijn aandrijving uitgerust werd voor het gebruik van vloeibaar gemaakte
petroleumgassen, moet bij een station voor autokeuring aangeboden worden
binnen de dertig dagen volgend op de montage of op een wijziging :
1° voor een controle van de dichtheid van de L.P.G.-installatie indien
het een auto met EG-goedkeuring betreft, dat vóór de inschrijving
door de constructeur uitgerust werd;
2° voor een volledige controle van de L.P.G.- installatie als het
een auto betreft dat niet vermeld werd onder 1°.
Tijdens deze periode van dertig dagen moet de bestuurder van het voertuig
op elk verzoek van de personen bevoegd om wegcontroles uit te voeren,
de factuur en het montagegetuigschrift afgegeven door de installateur
voorleggen.
Diezelfde voertuigen worden ook aangeboden bij een station voor autokeuring
voor de controle van de L.P.G.-installatie in volgende gevallen :
• na een ingreep op de L.P.G.-installatie die als een wijziging
van de L.P.G.-installatie kan beschouwd worden, zoals de montage van een
nieuw reservoir, een vervanging of een tijdelijke demontage van één
of meerdere leidingen of hulpstukken;
• wanneer de L.P.G.-installatie werd beschadigd mag de auto enkel
op de openbare weg gebruikt worden om zich naar de werkplaats van een
erkend installateur te begeven, en na herstelling voor een volledige L.P.G.-controle
naar het meest nabije station voor autokeuring.
Indien het resultaat van de controle vermeld onder 1° of 2° van
alinea 1 in overeenstemming is met de voorschriften van dit besluit, wordt
het montage getuigschrift, uitgegegeven door de erkende installateur die
de L.P.G.-uitrusting heeft gemonteerd, gewijzigd of hersteld, gevalideerd
door de autokeuring en wordt een keuringsbewijs afgeleverd, zoals voorzien
in artikel 23 novies § 3 van het koninklijk besluit van 15 maart
1968, en geldig tot de volgende periodieke keuringsdatum van het voertuig
overeenkomstig artikel 23ter van het koninklijk besluit van 15 maart 1968.
§ 2. Tijdens de in § 1, 2° alinea 1, en alinea 3 voorgeschreven
L.P.G. keuringen wordt onderzocht :
1° of de proeven, controles en homologaties van de onderdelen van
de L.P.G.-installatie vastgesteld door de Minister die het vervoer onder
zijn bevoegdheid heeft, uitgevoerd werden door de volgens artikel 5, §
1 erkende instellingen;
2° of de L.P.G.-installatie gasdicht is;
3° of de montage van de L.P.G.-installatie voldoet aan de voorwaarden
vastgesteld door de bijlage C aan dit besluit;
4° of de uitlaatgassen voldoen aan de emissienormen opgelegd in het
koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de
technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen,
en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;
§ 3. Ieder voertuig, dat met een L.P.G.-installatie uitgerust werd
vóór de inwerkingtreding van dit besluit, mag vóór
het einde van de geldigheid van het keuringsbewijs door de autokeuring
gecontroleerd worden overeenkomstig § 1, 2° van dit artikel.
§ 4. De uitrustingen afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese
Economische Ruimte, bedoeld in artikel 2, § 1, alinea 2 moeten een
dichtheidscontrole ondergaan zoals voorgeschreven onder het artikel 11,
§ 1,1° van dit besluit.
§ 5. Voor elk geldig keuringsbewijs, wordt door de autokeuring een
controlevignet aangebracht in de rechter benedenhoek aan de binnenzijde
van de voorruit. Dit vignet heeft het model zoals voorzien in bijlage
E, is zelfvernietigend bij elke poging tot verwijderen en vermeldt het
volgende :
• het nummer van het station van autokeuring;
• het jaar van volgende keuring van het reservoir;
• de erkenningsnummer van de installateur;
• de geldigheidsdatum van het vignet;
• het chassisnummer.
In geval van beschadiging van het controlevignet moet de houder zijn auto
aanbieden op het keuringsstation dat het origineel heeft afgeleverd, om
een duplicaat te laten aanbrengen.
In geval niet alles conform de voorschriften is, wordt een keurbewijs
afgeleverd, zoals voorzien door het koninklijk besluit van 15 maart 1968
houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's,
hun aanhangwagens, hun onderdelen, en hun veiligheidstoebehoren moeten
voldoen.
Het keuringsbewijs wordt getoond telkens wanneer de auto door een voor
autokeuring erkende instelling wordt gecontroleerd.
Ditzelfde bewijs wordt ook vertoond op iedere vordering van de ambtenaren
en beambten die krachtens artikel 80 van het koninklijk besluit van 15
maart 1968 bevoegd zijn om controles op de weg te verrichten.
§ 6. Elke auto waarvan de L.P.G.-installatie volledig verwijderd
werd, wordt eveneens, alvorens weer in gebruik genomen te worden, bij
een station voor autokeuring aangeboden.
§ 7. De nieuwe niet ingeschreven auto's mogen door de importeur,
door de verkoper van de auto of door de erkende installateur bij een station
voor autokeuring aangeboden worden. Het station voor autokeuring levert
dan aan de importeur, aan de verkoper of aan de erkende installateur een
keuringsbewijs af conform § 1.
Artikel 12
De retributies voor de keuringen en afgifte van de in dit besluit bedoelde
keuringsbewijzen en vignetten zijn ten laste van de aanvrager en worden
vastgesteld in artikel 23undecies van het koninklijk besluit van 15 maart
1968.
Wederbeproeving van de installatie
Artikel 13
Het reservoir wordt onderworpen aan een hydraulische druk-proef op 3000
kPa, vijftien jaar na de datum van initïele proef, vermeld op de
identificatieplaat van het reservoir. De werkwijze voor het uitvoeren
van deze hydraulische druk-proef voldoet aan de desbetreffende bepalingen
van het Reglement 67.
De datum van de hydraulische druk-proef en de stempel van de erkende instelling
die ze heeft uitgevoerd worden op de identificatieplaat van het reservoir
geslagen.
Slotbepalingen
Artikel 14
De Minister die het vervoer onder zijn bevoegdheid heeft of zijn gemachtigde
kan afwijkingen toestaan aan de voorwaarden van dit besluit teneinde de
nodige proeven te kunnen verrichten, noodzakelijk om de bepalingen betreffende
de autos die L.P.G. gebruiken, aan te passen aan de evolutie van de techniek
en de industrie.
Artikel 15
Het koninklijk besluit van 13 juli 1977 betreffende het gebruik van vloeibaar
gemaakt petroleumgas (L.P.G.) voor het aandrijven van auto's gewijzigd
bij de koninklijke besluiten van 13 december 1977, 3 april 1978, 14 april
1980, 21 november 1983, 12 december 1991 en 15 december 1998 wordt opgeheven.
Artikel 16
§ 1 - Tot 1 januari 2002, kan het bedrag van de retributie uitgedrukt
in euros en bedoeld in de laatste alinea van artikel 4 betaald worden
vijf duizend belgische franken.
§ 2 - In afwijking van punt 1,2° van de bijlage B aan dit besluit
betreffende de erkenning van de installateurs en de monteurs, mogen de
natuurlijke of rechtspersonen, die in het jaar dat voorafgaat aan het
in werking treden van dit besluit ten minste twintig L.P.G.-installaties
hebben gemonteerd, voor een voorlopige periode van ten hoogste één
jaar en beginnend vanaf de datum van het indienen van de aanvraag, de
montage van L.P.G.-installaties uitvoeren, zelfs zonder beroep te doen
op de diensten van erkende monteurs.
De aanvraag om overeenkomstig de vorige alinea erkend te worden moet gebeuren
binnen de drie maanden volgend op de inwerkingtreding van dit besluit
bij het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur-bestuur van Wegverkeer
en infrastructuur, Dienst verkeer, directie Voertuigen, Residence Palace,
Blok C, 5e verdieping, Wetstraat 155 - 1040 Brussel.
§ 3 - Indien een L.P.G.-installatie voor de datum van het van kracht
worden van dit besluit aan boord van een in België ingeschreven auto
gemonteerd werd, mogen de toebehoren die niet beantwoorden aan de voorschriften
van het Reglement 67 maar wel aan deze van het koninklijk besluit van
13 juli 1977 betreffende het gebruik van vloeibaar gemaakt petroleumgas
(L.P.G.) voor het aandrijven van auto's, nog na het in voege treden van
dit besluit gebruikt worden.
Deze bepaling is niet van toepassing op de elektrische schakelaar van
de dienstkraan en de automatische vulbegrenzer van het reservoir. Deze
twee toebehoren moeten gemonteerd worden binnen het jaar volgend op de
inwerkingtreding van dit besluit.
Na montage van deze twee toebehoren wordt het vignet, zoals voorgeschreven
in artikel 11, § 5 door de autokeuring evenwel niet afgeleverd indien
niet alle onderdelen van de installatie beantwoorden aan de vereisten
van het Reglement 67.
Artikel 17
Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op die
gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
Artikel 18
Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer en onze Minister van Middenstand
en Landbouw zijn belast met de uitvoering van dit besluit.
BIJLAGEN
• Bijlage A : voorbeelden van goedkeuringsmerken bedoeld in artikel
2, § 2, alinea 8 van dit besluit.
• Bijlage B : erkenning van de installateurs en demonteurs (art.
4)
• Bijlage C : montage van een L.P.G.-installatie (art. 9)
• Bijlage D : montagegetuigschrift
• Bijlage E : model van vignet zoals bedoeld in art. 11,§ 5
Zie ook :
• Koninklijk besluit van 14 februari 2001 betreffende de invoering
van een premiestelsel om het inbouwen van een LPG-installatie in wagens
te promoten.
• Ministerieel besluit van 23 februari 2001 houdende vaststelling
van de praktische modaliteiten in uitvoering van het koninklijk besluit
van 14 februari 2001 betreffende de invoering van een premiestelsel om
het inbouwen van een LPG-installatie in wagens te promoten (aanvraagformulier).
BIJLAGE B : erkenning van de installateurs
en demonteurs (art. 4)
De erkenning van de installateurs
1. Om erkend te worden als L.P.G.-installateur, moeten de natuurlijke
of rechtspersonen die L.P.G.-installaties in auto's monteren of onder
wiens verantwoordelijkheid deze gemonteerd worden, voldoen aan volgende
voorwaarden:
1° in een lidstaat wonen van de Europese Economische Ruimte;
2° uitsluitend een beroep doen op erkende monteurs overeenkomstig
de bepalingen van artikel 4, § 1 van dit besluit;
3° op hetzelfde adres als de werkplaats over een bureau beschikken
waar het administratieve werk verbonden aan de L.P.G.-installaties wordt
verricht. In dit bureau is een ruimte voorzien die kan worden afgesloten,
waarin waardepapieren, zoals boorddocumenten, erkenningsattesten en dergelijke
worden bewaard.
4° over alle wettelijke vergunningen beschikken voor het in bedrijf
nemen van de lokalen en van de apparatuur, nodig voor de uitvoering van
de werken vermeld in dit besluit.
5° over een werkplaats beschikken die ten minste voldoet aan volgende
voorwaarden:
a) overdekt zijn, behoorlijk kunnen worden afgesloten, goed verlicht,
voorzien van verwarming en een afdoende ventilatie met het oog op de gevaren
die verbonden zijn aan gassen;
b) zodanige afmetingen hebben en zodanig zijn ingericht dat de auto waarin
een L.P.G.-installatie wordt gemonteerd, in deze ruimte kan worden opgesteld
op een manier dat hij van alle zijden goed toegankelijk is. Daartoe is
in de werkplaats een doelmatige hefinrichting aanwezig. Degene die de
montage doet moet in staat zijn om onder de gehele lengte van het voertuig
rechtopstaand te werken, wat betekent dat de hefinrichting een hoogte
van ten minste 1,60 m. heeft.
Deze hefinrichting is doelmatig verlicht.
c) over een inrichting beschikken waarmee de uitlaatgassen direct naar
buiten worden afgevoerd.
6° in de werkplaats over minimum volgende apparatuur en werktuigen
beschikken :
a) een controleapparaat om de goede werking en de goede afstelling van
de installatie na te gaan, alsook een controleapparaat voor het meten
van het gehalte aan koolstofmonoxide en -dioxide, in de uitlaatgassen
van auto's uitgerust met een motor met elektrische ontsteking, teneinde
zich ervan te verzekeren dat de L.P.G.-installatie geen hogere waarden
dan de begin pollutiewaarden tot gevolg heeft,
b) een apparaat voor het opsporen van L.P.G.-lekken,
c) de nodige apparatuur voor de uitvoering van de voorgeschreven drukproeven
na het monteren van de L.P.G.-installatie.
2. § 1. De aanvraag tot erkenning wordt ingediend bij het Ministerie
van Verkeer en Infrastructuur, Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur,
Dienst Verkeer, Directie Voertuigen, Résidence Palace, Blok C,
5e verdieping, Wetstraat 155 - 1040 Brussel.
§ 2. De aanvraag dient volgende gegevens te bevatten :
1° benaming, statuut en adres van de kandidaat installateur;
2° een origineel exemplaar van het eerste evaluatierapport betreffende
de overeenstemming van de installateur met de bepalingen van dit besluit
afgeleverd door één van de instellingen, erkend overeenkomstig
artikel 5 van dit besluit.
3° het bewijs van de betaling van de retributie waarvan het bedrag
is vastgesteld in artikel 4 van dit besluit.
4° het bewijs dat de installateur zelf of tenminste één
personeelslid geslaagd is voor het examen voor erkend monteur, zoals bepaald
in punt 8 van deze bijlage
3. Door de Minister die het vervoer onder zijn bevoegdheid heeft, of door
zijn gevolmachtigde, wordt aan ieder erkend installateur een identificatienummer
toegekend, dat op ieder montagegetuigschrift of plaatje moet voorkomen.
4. De erkende installateurs moeten :
1° onmiddellijk en schriftelijk de overeenkomstig artikel 5 van dit
besluit gemachtigde instelling, die het laatste verslag heeft opgemaakt,
op de hoogte stellen van elke wijziging aan één van de elementen
die als basis voor het verlenen van hun erkenning hebben gediend;
2° er op nazien een L.P.G.-installatie alleen te monteren in een werkplaats
die in de aanvraag tot erkenning werd vermeld;
3° een afschrift van het erkenningscertificaat bewaren in elke werkplaats
waarvoor de erkenning geldt.
4° de verantwoordelijkheid voor de montage van een L.P.G. installatie
enkel toevertrouwen aan erkende monteurs.
5. § 1. De erkende installateurs verbinden er zich eveneens toe om
voor elk voertuig waarin een L.P.G.- installatie wordt gemonteerd of gewijzigd,
een dossier aan te leggen. Dit dossier bevat ten minste de kopie van het
montagegetuigschrift zoals voorgeschreven in artikel 10 van dit besluit;
§ 2. Dit dossier wordt tot de buiten dienststelling van het voertuig
bewaard. Indien dit tijdstip niet is gekend, is de bewaringstermijn tien
jaar.
6. Indien na controle van een overeenkomstig punt 2 gemachtigde instelling,
blijkt dat:
1° de installateur niet meer beantwoordt aan de eisen van dit besluit;
2° de instructies van de Directie Voertuigen van het Bestuur van Wegverkeer
en Infrastructuur in verband met de toepassing van dit besluit, alsmede
deze met betrekking tot erkenning van de installateur niet meer of onvolledig
nageleefd worden;
kan de erkenning van de houder als installateur worden ingetrokken.
De intrekking van de erkenning wordt door middel van een ter post aangetekende
brief ter kennis gebracht van de betrokkene.
Binnen de dertig dagen na de kennisgeving van de weigering of van de intrekking
van de erkenning kan de betrokkene bij een ter post aangetekende brief
beroep instellen bij het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur, Dienst
Verkeer, Directie Voertuigen, Residence Palace, blok C, Wetstraat 155,
1040 Brussel. Het bestuur moet de betrokkene horen.
De Minister die het vervoer onder zijn bevoegdheid heeft of zijn gevolmachtigde,
doet uitspraak binnen de dertig dagen na de verzending van de brief waarin
beroep werd aangetekend.
Het beroep heeft geen schorsende kracht.
7. Het personeel van het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur, Dienst
Verkeer, Directie Voertuigen is gemachtigd om op ieder ogenblik en op
elke plaats de nazichten en controles voorzien in dit besluit bij te wonen.
De erkenning van de monteurs
8. § 1 Om als monteur L.P.G. erkend te worden moeten de natuurlijke
personen die L.P.G. -installaties in auto's monteren, slagen voor het
examen waarin zij aantonen de minimale technische kennissen, beschreven
hierna, te bezitten.
Het examen, door het welke de kandidaat-monteur zijn technische kennissen
kan bewijzen, wordt georganiseerd door het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur.
Zo nodig kan de kandidaat-monteur cursussen volgen teneinde de vereiste
technische kennis te verwerven. Deze cursussen worden toevertrouwd aan
opleidingsorganismen erkend door de Minister die het vervoer onder zijn
bevoegdheid heeft of zijn gemachtigde, op basis van het cursussenprogramma
die zij voorstellen.
Minimale technische kennis vereist voor de monteurs
1° Algemeen
- Milieuverontreining,energie en voertuigen
- Ecologisch en economisch belang van L.P.G.
- Oorsprong, voorraden en vooruitzichten van L.P.G.
- Fysische en chemische eigenschappen
- Specifieke eigenschappen (klopvastheid, calorisch vermogen, verbrandingssnelheid,
. )
- Technische gevolgen voor de motor in verband met ontsteking,bougies,vermogen,terugslag,
.
- Risico's en veiligheidsvoorschriften
- Reglementaire omkadering en normen
- Technische verantwoording van de reglementering
2° Technologie
- Voeding van de L.P.G.-motor
- Bestanddelen van de ombouw
- Werkingsprincipe
- Nieuwe voedingssystemen
- Keuze van de uitrusting en keuzecriteria
3° Studie van de verschillende systemen
- Analyse van de diverse aanpassingen
- Voertuigen met carburator
- Voertuigen met injectie
- Bijzonderheden i.v.m. voertuigen met injectie
- Bijzonderheden i.v.m. voertuigen met katalysator
- Studie van de regelsystemen en de instandhouding van het originele motorbeheer
(electronic control unit)
- Bijzonderheden over de simulatie van de injecties
- Gasinjectie-systeem :gasvormige en vloeibare fase
4° Praktische toepassingen
- Basisregels vóór montage
- Gereedschap
- Behandeling, bescherming van de werkplaats en van het personeel
- Werkzaamheden aan het reservoir
- Ombouw van de voertuigen
- Lekdichtheid
- Beheer van de lambda-factor bij L.P.G., gebruik van de voltmeter, viergastester
- Onderhouds- en regelwerk in de praktijk
- Onderhoud en afstelling
Om deel te kunnen nemen aan de bekwaamheidsproeven of om eventueel tot
de opleiding van monteur L.P.G. te worden toegelaten, dienen de kandidaat-monteurs
houder te zijn van een getuigschrift van autotechnicus of electricien
of gelijkgesteld, of een beroepservaring van drie jaar als autotechnicus
of electricien kunnen aantonen.
Na het slagen voor dit examen wordt een certificaat afgeleverd, dat door
het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur gevalideerd wordt.
§ 2. De Minister die het vervoer en diegene die de middenstand onder
zijn bevoegdheid heeft, mogen gezamenlijk beslissen over de noodzaak om
voor een bijkomend examen te slagen wanneer duidelijke technologische
evoluties vereisen dat de opleiding van de erkende monteurs op peil gebracht
wordt.
BIJLAGE C : montage van een L.P.G.-installatie (art. 9)
ALGEMENE BEPALINGEN
1. De L.P.G.-installatie mag de goede werking van de auto niet hinderen.
Het reservoir, de toebehoren en leidingen dienen zodanig te zijn aangebracht
dat zij op efficiënte wijze beschermd zijn bij aanrijdingen of bij
het omkantelen van de auto, en niet door het laden of het verschuiven
van de lading kunnen worden beschadigd.
MONTAGE VAN HET TOEBEHOREN OP HET RESERVOIR
2. De hierna volgende toebehoren worden met schroefdraad rechtstreeks
op het reservoir gemonteerd :
1° een vulklep;
2° een electrisch bediende gasafname kraan, die automatisch moet sluiten
als de motor stopt;
3° ten minste één veiligheidsklep;
4° een inhoudsmeter;
5° een automatische inrichting die voorkomt dat een reservoir voor
meer dan 80 % kan worden gevuld.
Een of meer van deze toebehoren mogen in éénzelfde onderdeel
gecombineerd zijn.
De automatische inrichting ter begrenzing van de vullingsgraad mag op
geen enkele wijze uitgeschakeld of ontregeld worden.
De veiligheidsklep(pen) word(en) verbonden met de gasfase.
Alvorens de in alinea 1 vernoemde toebehoren worden aangebracht, wordt
hun schroefdraad overtrokken met een geschikte stof die de gasdichtheid
verzekert.
In de uitlaatopening voor de voedingsleiding naar de motor bevindt zich
een doorstroombegrenzer.
De doorstroombegrenzer bevindt zich aan de binnenzijde van het reservoir.
MONTAGE VAN HET RESERVOIR
Generalitie
3. Het reservoir wordt aan de auto vastgemaakt met behulp van ten minste
twee van elkaar onafhankelijke bevestigingen.
Indien de bevestigingen gelast worden aan het reservoir, dient dit door
de fabrikant te gebeuren vóór de thermische behandeling
ervan
Teneinde corrosie te vermijden, is elk contact van metaal op metaal verboden.
Eventueel gebruikte metalen kabels of banden worden door middel van een
elastische stof, die geen water absorbeert, geïsoleerd.
Het reservoir wordt stevig vastgemaakt en de bevestigingen op het koetswerk
worden verstevigd, zodat deze niet kunnen scheuren.
Het reservoir wordt zodanig vastgemaakt dat wanneer één
der bevestigingen losraakt het reservoir in zijn oorspronkelijke stand
blijft.
4. De stand waarin het reservoir wordt gemonteerd, wordt op een ondubbelzinnige
en onuitwisbare wijze op het reservoir aangegeven.
5. De voorgeschreven merktekens op het reservoir moeten zoveel mogelijk
leesbaar blijven na de montage van het reservoir in de auto. Het verwijderen
van de gasdichte doos en het gebruik van een spiegel kan worden toegelaten
om het lezen van deze merktekens te vergemakkelijken.
Ook indien de genoemde merken al dan niet leesbaar blijven na montage
van het reservoir in het voertuig, toch moeten zij steeds vermeld worden
op het montageplaatje, zoals voorgeschreven in punt 19.
6. De L.P.G.-voedingsleiding naar de motor die vertrekt vanuit ieder reservoir
wordt voorzien van een electroafsluitklep waarvan de werking en de montage
zorgt dat elke reservoir op ieder ogenblik onafhankelijk is van de andere.
7. De reservoirs worden nooit in de motorruimte gemonteerd.
De grootste as van het reservoir bevindt zich in geen geval vóór
de aslijn van de vooras.
Montage van het reservoir onder de auto
8. § 1. Bij de montage van het reservoir onder de auto bedraagt,
bij de lege auto met de ophanging in rijstand, de vrije hoogte tussen
de onderzijde van het reservoir en de grond ten minste 200 mm voor auto's
tot en met 3.500 kg, en ten minste 250 mm voor auto's met een hoogst toegelaten
massa van meer dan 3.500 kg. Voor de onder de benaming "lichte vrachtauto"
ingeschreven of in te schrijven auto's en voor de terreinvoertuigen zoals
bepaald in bijlage II van richtlijn 70/156/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 6 februari 1970, laatst gewijzigd bij richtlijn 92/53/EEG
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1992, mag de vrije
hoogte onder het reservoir niet kleiner zijn dan 250 mm. Deze minimale
vrije hoogte mag na verloop van tijd nooit met meer dan 10 % verminderen.
§ 2. Een reservoir dat achter de aslijn van de achterwielen van de
auto is gemonteerd, ligt bovendien volledig boven de raaklijn die vertrekt
van het achterwiel en die door het laagste punt van het oorspronkelijke
achterkoetswerk loopt of, in voorkomend geval, door de oorspronkelijk
gemonteerde bumper.
Indien evenwel om redenen eigen aan de fabricage van de auto's met een
hoogst toegelaten massa tot en met 3.500 kg niet kan worden voldaan aan
de hierboven vermelde vereiste, mag de vrije hoogte onder ieder punt van
het reservoir niet minder bedragen dan 1/4 van de horizontale afstand
van dat punt tot het verticaal vlak dat door de aslijn van de achterwielen
van de auto gaat.
§ 3. Het reservoir wordt door middel van spatlappen beschermd tegen
voorwerpen weggeslingerd door de wielen.
De toebehoren bevinden zich volledig boven het laagste punt van het reservoir.
§ 4. Het reservoir wordt op ten minste 100 mm van elke uitlaatleiding
gemonteerd, behalve indien het op afdoende wijze beschermd is tegen de
thermische straling.
Montage van het reservoir in de auto en vulling van buiten af door middel
van een leiding
9.- § 1. Het reservoir mag in de personenruimte of in de koffer worden
gemonteerd, op voorwaarde dat de vulling van buiten af geschiedt door
middel van een drukleiding, en het reservoir is uitgerust met een gasdichte
doos die over al zijn toebehoren is geplaatst.
§ 2. De gasdichtheid tussen het reservoir en de gasdichte doos wordt
verzekerd door middel van een soepele pakking.
§ 3. De gasdichte doos wordt op het reservoir bevestigd door middel
van metalen schroeven of een ander even doeltreffend systeem. De bevestiging
op het reservoir door middel van lassen is verboden.
§ 4. De uitgang van de gasdichte doos wordt rechtstreeks buiten het
voertuig geleid door middel van een gewapende slang met een vrije doorgangssectie
van ten minste 500 mm2. Waar de gewapende slang door het koetswerk gaat,
wordt ze door middel van een stijf element beschermd of zodanig gemonteerd
dat een gelijkwaardige veiligheid wordt geboden.
De vrije doorgangssectie van de gewapende slang, voor de datum van het
van kracht worden van dit besluit gemonteerd, mag minder bedragen dan
500 mm2; ze is evenwel ten minste 100 mm2.
§ 5. De vulleiding (buigzaam of stijf) wordt met het reservoir verbonden
door middel van een op het reservoir gemonteerde vulklep.
§ 6. Aan het uiteinde van de vulleiding bevindt zich een vulaansluiting.
§ 7. De vulaansluiting wordt gemonteerd in een alleen van buitenaf
bereikbare ruimte die gasdicht van de personenruimte of van de koffer
gescheiden is. De vulaansluiting steekt niet buiten de contouren van de
auto.
§ 8. Het middelpunt van de vulaansluiting bevindt zich op ten minste
300 mm van de grond. De klep is gemakkelijk bereikbaar en beschermd tegen
voorwerpen die door de wielen weggeslingerd worden en tegen het binnendringen
van vuil.
§ 9. De elektriciteitskabels moeten doelmatig tegen beschadigingen
beschermd zijn. De elek-trische verbindingen die zich in de koffer en
in de passagiersruimte bevinden, moeten beant-woorden aan de isolatieklasse
IP 40 volgens de norm CEI 529. Alle andere elektrische verbin-dingen moeten
beantwoorden aan de isolatieklasse IP 54 volgens de norm CEI 529.
MONTAGE VAN DE L.P.G.-LEIDINGEN
10.- § 1. De L.P.G.-leidingen die onder druk komen te staan zijn
goedgekeurde buigzame leidingen of buizen van uitgegloeid roodkoper met
een wanddikte van minstens 1 mm. De buigzame drukleidingen worden minstens
om de vijftien jaar vervangen.
§ 2. Een L.P.G.-leiding, die uit meer dan één stuk
bestaat, wordt alleen daar geplaatst waar de montage van een leiding uit
één stuk onmogelijk is.
De delen van de leidingen die buiten de gasdichte doos, maar in de personenruimte
gelegen zijn, bestaan nochtans uit één stuk en vertonen
geen lasnaden.
§ 3. De aansluitingen worden uitgevoerd door middel van draadgetrokken
verbindingen of door middel van zilver- of koperlassen onder mof. De ellebogen
en verloopstukken van roodkoperen leidingen zijn van koper of messing.
§ 4. Daar waar de leidingen door het koetswerk gaan, worden ze beschermd
door middel van een element in soepel materiaal.
§ 5. De leidingen moeten meer dan 100 mm van elke uitlaatleiding
verwijderd blijven, tenzij ze afdoende beschermd zijn tegen de thermische
straling.
§ 6. De leidingen die zich onderaan de auto bevinden worden afdoend
tegen opspattende stenen beschermd.
§ 7. De gedeelten van de leidingen waarin door in serie geplaatste
afsluitkleppen vloeibaar L.P.G. kan opgesloten worden, moeten door hun
constructie of op een andere wijze afdoende beschermd zijn tegen gevaarlijke
drukstijgingen die zich kunnen voordoen bij normale gebruiksvoorwaarden.
§ 8. De leidingen worden met tussenruimten van ten hoogste 500 mm
aan het koetswerk of het chassis vastgemaakt door middel van klemmen.
Tussen de klemmen en de leiding wordt een elastische stof geplaatst.
§ 9. De L.P.G.-leidingen die onder druk komen te staan en die door
de bestuurdersruimte, door de voor de reizigers bestemde afdelingen of
door een niet geventileerde ruimte lopen, worden gemonteerd in een ruim
en gasdicht omhulsel dat buiten de auto uitmondt. Dit omhulsel belet dat
het gas zich bij een eventueel lek in de leiding in de hierboven genoemde
plaatsen verspreidt.
§ 10. Alle niet onder druk zijnde leidingen worden met spanringen
aan de toebehoren bevestigd.
Voor de auto's met een hoogst toegelaten massa tot en met 3.500 kg bedraagt,
bij een lege auto en met de ophanging in rijstand, de vrije hoogte tot
de grond onder de L.P.G.-leidingen ten minste 200 mm. Voor de auto's met
een hoogst toegelaten massa van meer dan 3.500 kg bedraagt die minimumafstand
tot de grond 250 mm.
§ 11. De in § 10, alinea 2 opgelegde hoogten zijn facultatief
indien de leidingen onder de auto beschermd zijn door het chassis of door
het koetswerk.
MONTAGE VAN DE L.P.G.-AFSLUITKLEP
11. Bij andere L.P.G. installaties dan die waarbij het vloeibaar L.P.G.
rechtstreeks in de motor wordt geïnjecteerd, wordt zo dicht mogelijk
vóór de ontspanner-verdamper in de L.P.G. leiding een elektromagnetische
afsluitklep gemonteerd.
In de elektrische leiding naar de L.P.G.-afsluitklep bevindt zich een
smeltveiligheid.
De L.P.G.-afsluitklep mag noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks aan de
motor worden vastgemaakt, tenzij deze geïntegreerd is in de ontspanner
verdamper. Ze moet zich op minstens 100 mm van elke uitlaatleiding bevinden
tenzij ze afdoende beschermd is tegen de thermische straling.
Bij L.P.G. installaties waarbij het vloeibaar L.P.G. rechtstreeks in de
motor wordt geïnjecteerd, kunnen de L.P.G. injectoren als L.P.G.
afsluitklep dienst doen en mogen op de motor bevestigd zijn.
De L.P.G.-afsluitklep of de L.P.G. injectoren sluiten automatisch wanneer
:
1° de motor stopt;
2° van L.P.G. naar benzine wordt overgeschakeld;
3° de stroomtoevoer naar de klep wordt onderbroken.
MONTAGE VAN DE BENZINEAFSLUITER
12. In de benzineleiding wordt een afsluitklep gemonteerd. Bij de auto's
met injectiemotor kunnen de benzine injectoren als benzine- afsluitkleppen
beschouwd worden.
Tenzij de benzineafsluitklep speciaal is ontworpen om aan de motor te
worden bevestigd, moet ze aan het koetswerk of het chassis worden vastgemaakt.
De benzineafsluitklep sluit automatisch wanneer van benzine naar L.P.G.
overgeschakeld wordt.
De leidingen die de benzineafsluitklep met de oorspronkelijke benzineleiding
verbinden, zijn van metaal of van een synthetisch materiaal dat weerstand
biedt aan benzine. Wanneer soepele leidingen worden gebruikt, worden die
bevestigd door middel van spanringen.
MONTAGE VAN DE GASBENZINE-OMSCHAKELAAR
13. De gas-benzine omschakelaar wordt zo gemonteerd, dat geen enkel uitsteeksel
voorkomt waaraan personen zich kunnen kwetsen.
De verschillende standen van de omschakelaar worden duidelijk aangegeven.
MONTAGE VAN DE ONTSPANNERVERDAMPER
14. De ontspanner-verdamper wordt op een veilige plaats en zoveel mogelijk
trillingvrij en deugdelijk bevestigd.
De ontspanner-verdamper moet op minstens 100 mm van het motorblok en van
elke uitlaatleiding gemonteerd zijn, tenzij hij degelijk beschermd is
tegen de thermische straling ervan.
MONTAGE VAN DE LUCHT-L.P.G. MENGER
15. Voor de motoren die het vereisen, wordt de lucht-L.P.G.-menger of
de injector tussen de motor en het filterelement van het luchtfilter gemonteerd.
PEILMETER
16. De aanwijzingen van de peilmeter zijn leesbaar vanaf de zetel van
de bestuurder van de auto.
De vereiste van alinea 1 is niet van toepassing op peilmeters die voor
de datum van het van kracht worden van dit besluit werden geplaatst.
ELECTRISCHE INSTALLATIE
17. De electrische installatie van het L.P.G.-systeem wordt beschermd
door tenminste één onafhankelijke smeltveiligheid. Alleen
het overbrengingssysteem van de inhoudsmeter naar het instrumentenbord
mag hierop een uitzon-dering maken. De stroomsterkte van dit systeem is
in dat geval echter beperkt tot ten hoogste 0,1 Ampère.
DICHTHEIDSCONTROLE
18. Wanneer het toebehoren op het reservoir gemonteerd is, moet een dichtheidscontrole
worden uitgevoerd door het reservoir onder een druk van 10 bar te zetten
door middel van een onontvlambaar gas.
MONTAGEPLAATJE
19. De monteur die een L.P.G. installatie heeft gemonteerd of gewijzigd
kleeft een montageplaatje op een gemakkelijk toegankelijke en beschermde
plaats, indien mogelijk op het reservoir.
Het plaatje is zelfvernietigend bij poging tot verwijderen, en is conform
met het model beschreven hierna.
Het plaatje is opgesteld in de taal van het keuringsbewijs bepaald bij
artikel 11, § 5 van dit koninklijk besluit.
NEVENINSTALLATIES
20. Er mogen op de L.P.G.-installatie geen neveninstallaties, zoals verwarming,
kookfornuis e.d. worden aangesloten
BIJLAGE D : montagegetuigschrift
Nr. :
Wij ondergetekenden
Bevestigen dat het voertuig hieronder beschreven voldoet aan de voorschriften
van het koninklijk besluit van . . betreffende het gebruik van vloeibaar
gemaakte petroleumgassen (L.P.G.) voor het aandrijven van auto's.
1. Kenmerken van het voertuig
Merk en type :
Chassisnummer :
2.Beschrijving van de toebehoren
L.P.G. reservoir
- fabrieksmerk :
- nummer van het reservoir :
- type en capaciteit
- fabricagedatum :
- goedkeuringsmerk :
Ontspanner-verdamper
- fabrieksmerk :
- goedkeuringsmerk :
L.P.G. afsluitklep
- fabrieksmerk :
- goedkeuringsmerk :
Buigzame leidingen
- Vulleiding :
- fabrieksmerk :
- goedkeuringsmerk :
- fabricagedatum
- L.P.G. leiding :
- fabrieksmerk :
- goedkeuringsmerk :
- fabricagedatum
Vulklep
- fabrieksmerk :
- goedkeuringsmerk :
Automatische 80 %-vullingsbegrenzer
- fabrieksmerk :
- goedkeuringsmerk :
Veiligheidsklep
- fabrieksmerk :
- goedkeuringsmerk :
Electrisch bediende gasafnamekraan met doorstroombegrenzer
- fabrieksmerk :
- goedkeuringsmerk :
Gasdichte doos
- fabrieksmerk :
- goedkeuringsmerk :
Peilmeter
- fabrieksmerk :
- goedkeuringsmerk :
3. Beschrijving van de toebehoren bij vloeistofinjectie
L.P.G.-voedingsleiding
- fabrieksmerk :
- goedkeuringsmerk :
- fabricagedatum
Brandstoffilter (indien niet geïntegreerd in een ander onderdeel)
- fabrieksmerk :
- goedkeuringsmerk :
Electrische tankdoorvoer
- fabrieksmerk :
- goedkeuringsmerk :
Inspuitunit
- fabrieksmerk :
- goedkeuringsmerk :
Retourklep
- fabrieksmerk :
- goedkeuringsmerk :
L.P.G.-pomp
- fabrieksmerk :
- goedkeuringsmerk :
Drukregelaar met L.P.G.-afsluiter
- fabrieksmerk :
- goedkeuringsmerk :
4. Korte beschrijving van de uitgevoerde werken
5. Installateur
Naam
Adres
Gemeente
Erkenningsnummer
Naam van de erkende monteur
Echt verklaard
Gedaan te ....................... op ................. (D/M/J)
Handtekening(en)
Nagezien in het station nr.
Gedaan te ....................... op ................. (D/M/J)
Stempel van de autokeuring.
|
|
|
|